Update rechtzaken

Op woensdag 27 januari vond de mondelinge behandeling bij de Rechtbank Haarlem plaats over de zaak van de heer Langeveld tegen de VvE de Stille Balk over het volgens hem onrechtmatige ontslag als bestuurslid van VvE de Stille Balk en waardoor volgens hem, hij nog recht heeft op een deel van de vrijwilligersvergoeding. De VvE heeft tijdens deze behandeling mondeling verweer gevoerd in lijn met de eerder opgestelde conclusie van antwoord. Uitspraak van het hof is op 24 februari.

Op woensdag 10 februari diende het Hoger Beroep van de heer Langeveld tegen de VvE’s de Lange Balk, de Stille Balk en Parkeren onder de Balk. Doel was het laten vernietigen van de volgende 3 ALV besluiten: 1. Het lenen van €60.000 van de VvE de Lange Balk aan VvE Parkeren onder de Balk
2. Laadinfrastrutctuur aan te laten leggen voor electrisch laden van electrische of hybride auto’s
3. Kosten van de lening te leggen bij de eigenaren van een laadpaal, middels een maandelijkse contributie.

Omdat Rechtsbijstandverzekeringen zaken tussen VvE en een lid normaals gesproken niet vergoeden/bijstaan en de kosten van het maken van een verweer meer dan €15.000 zou kosten, heeft VvE-lid Toine de Bie aangeboden het verweer te schrijven en heeft middels bijgevoegde spreeknotities de standpunten van de VvE toegelicht. De heer Langeveld liet zich vertegenwoordigen door een advocaat. Uitspraak van deze zaak is op 30 maart a.s.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

 

Zaaknummer:​​ 200.279.848/01

Mondelinge behandeling d.d. 10 februari 2021

 

Spreekaantekeningen​​ 

 

van:

 

De Verenigingen van Eigenaren De Stille Balk, De Lange Balk en Parkeren onder de Balk,

gevestigd te Amsterdam,

verweersters​​ in hoger beroep

 

in de zaak tegen

 

de heer S.C.A. Langeveld,

wonende te Amsterdam,

advocaat: mr.​​ P.G. Bekkers

verzoeker in hoger beroep.

 

Edelgrootachtbaar college,

 

De Verenigingen van Eigenaren De Stille Balk, De Lange Balk en Parkeren onder de Balk (hierna​​ gezamenlijk ook: de VvE’s), hebben​​ kennisgenomen​​ van het​​ beroepschrift​​ van​​ de heer S.C.A. Langeveld, gericht tegen de beschikking van de kantonrechter​​ in de rechtbank Noord-Holland d.d. 10 december 2019.

De VvE’s hebben ervoor gekozen om geen verweerschrift in te dienen, vanwege de daarmee verbandhoudende​​ geoffreerde​​ kosten van meer dan € 10.000,-. Daarom wordt​​ hier​​ ter zitting mondeling verweer gevoerd.

Vanwege de beperkte spreektijd zal dit verweer zich in hoofdzaak beperken tot een bespreking van de door​​ appellant​​ aangevoerde grieven.​​ Maar de VvE’s handhaven hun in eerste aanleg gevoerde verweer en doen zo nodig een beroep op de devolutieve werking van het hoger beroep indien uw hof van oordeel zou zijn dat een van de aangevoerde grieven onverhoopt zou slagen.​​ Zoals hierna zal blijken, dienen de grieven echter te falen.

Voor de achtergrond van deze zaak wijzen de VvE’s graag naar de paragraaf “Feiten en voorgeschiedenis” van hun verweerschrift in eerste aanleg.​​ 

 

Grief​​ I​​ 

Grief I​​ is een algemene​​ grief waarmee appellant​​ kennelijk​​ wil aanvoeren dat de drie gewraakte besluiten van de VvE’s​​ (één van de VvE De Lange Balk en twee van de VvE Parkeren onder de Balk)​​ nietig zouden zijn.​​ In​​ randnummer 11​​ van het beroepschrift wordt met juistheid, zij het kort, aangeduid wat de inhoud van die besluiten is.

 

Onder​​ randnummers 13​​ tot en met 18​​ van het beroepschrift wordt aangevoerd dat het besluit van de Vereniging van Eigenaren De Lange Balk nietig zou zijn, onder aanhaling van de beschikking van het hof Amsterdam van 18 november 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3370. De vergelijking die wordt getrokken met die zaak gaat evenwel mank.​​ De VvE’s De Lange​​ Balk en​​ Parkeren onder de Balk zijn gevestigd in hetzelfde gebouw. De leden van de VvE De Lange Balk zijn, zonder uitzondering, allen eigenaar van een appartementsrecht in de Vereniging Parkeren onder de Balk. Het gaat weliswaar om verschillende rechtspersonen, maar deze zijn nauw met elkaar verbonden. De drie besluiten hangen nauw met elkaar samen: zij hebben betrekking op de aanleg van een laadpaleninfrastructuur in het gebouw als geheel; dat is iets anders dan het dempen van een buiten het gebouw gelegen gracht met het oog op zuiver commerciële belangen van de bij de desbetreffende VvE aangesloten winkeliers.​​ Het betreft hier bovendien een lening aan een zuster-VvE, geen uitgave.​​ Dit deel van de grief kan niet slagen.

 

In​​ randnummers 20 tot en met 26​​ wordt de wijze van vergaderen van de drie VvE’s aan de orde gesteld. Daarbij wordt benadrukt dat de wijze van besluitvorming in de hoofdsplitsing (de VvE De Stille Balk) onjuist zou zijn. Hoewel de VvE’s dat betwisten, kan dit argument appellant hoe dan ook niet baten. De gewraakte besluiten zijn immers niet in de hoofdsplitsing genomen, maar in de beide ondersplitsingen.

Voorts geldt, zeker in het onderhavige geval, dat van meet af aan voor de leden duidelijk was welke besluiten in de VvE Parkeren onder de Balk en welk besluit in de VvE De Lange Balk is genomen. Ook dit deel van de grief faalt.

 

In​​ randnummers 27 tot en met 33​​ voert appellant het een en ander aan over de quorumeis, dat geheel bezijden de waarheid is. De gang van zaken in de VvE’s De Lange Balk en Parkeren onder de Balk is, dat de leden eerst uitgenodigd worden op een eerste vergadering. Gezien de omvang van de beide VvE’s (168 koopappartementen en 225 parkeerplaatsen) wordt de quorumeis nooit gehaald. De voorstellen worden wel door de aanwezige leden besproken. Er kan dan ook een stemming plaatsvinden, maar die is niet bindend. Dat blijkt ook wel uit het onder randnummer 30 aangehaalde citaat: te weinig stemmen voor rechtsgeldige besluiten, de stemming heeft dus het karakter van een meningspeiling en een advies aan de tweede vergadering van beide VvE’s, waar de quorumeis niet geldt. Het is juist dat die tweede vergadering – zoals bij vrijwel alle professioneel beheerde VvE’s – een schriftelijk karakter heeft. Leden die dat wensen kunnen die vergadering overigens gewoon bijwonen. Dat die vergadering slechts dient om de eerder uitgebrachte stemmen te bekrachtigen is echter een onjuist voorstelling van zaken. Alle leden kunnen in die tweede vergadering schriftelijk stemmen, ongeacht of zij in de eerste vergadering aanwezig waren en ongeacht hoe zij toen hebben gestemd. Het komt dan ook voor dat in de tweede vergadering een besluit wordt genomen dat afwijkend is van de uitslag van de meningspeiling in de eerste vergadering. Het moet de VvE’s van het hart dat Langeveld dit argument heeft menen te moeten aanvoeren. Als oud-bestuurslid van de VvE’s weet hij heel goed dat de door hem geschetste voorstelling van zaken onjuist is.

 

In​​ randnummers 34 t/m 39​​ wil appellant een onjuiste interpretatie van artikel 20 lid 1 van de Akte van Ondersplitsing van de VvE De Lange Balk​​ (hierna: AvOW; onderdeel van productie 4 van appellant)​​ ingang doen vinden. Bij de uitleg van bepalingen uit een splitsingsakte​​ komt het aan op de betekenis van​​ de bewoording, voor de uitleg waarvan echter wel aanwijzingen mogen worden ontleend aan ander in de akte voorkomende bepalingen (de zgn. CAO-norm).

 

Artikel 32 lid 1 van het Modelreglement 1992​​ (hierna: MR 1992)​​ luidt, voor zover hier van belang:​​ 

Er​​ kan​​ krachtens besluit van de vergadering een reservefonds worden gevormd,​​ ter bestrijding van andere kosten dan bedoeld in artikel 4 eerste lid tweede zin. Aan dat fonds zal geen andere bestemming worden gegeven tenzij krachtens besluit van de vergadering met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 38 vijfde lid, dan wel na opheffing van de splitsing.​​ 

 

Artikel 20 lid 1​​ AvOW​​ wijkt daarvan in die zin af dat door de eigenaars bestemmingsreserves​​ moeten​​ worden gevormd, zonder dat daarvoor een besluit van de vergadering vereist is. Deze bepaling beoogt dus het discretionaire karakter weg te nemen dat de eerste volzin van artikel 32 lid 1 MR 1992​​ kenmerkt. Hoewel de tweede volzin van artikel 32 lid 1 MR 1992​​ niet in artikel 20 lid 1​​ AvOW​​ lijkt te zijn​​ overgenomen, wil dat echter niet zeggen dat die volzin geen gelding heeft.​​ Artikel 20 lid 1 AvOW​​ wijkt slechts af van de eerste volzin​​ van artikel 32 lid 1 MR 1992. Dat niet bedoeld is artikel 32​​ lid 1​​ MR 1992​​ geheel te vervangen, blijkt ook wel uit de formulering van artikel 20 lid 1 in vergelijking met artikel 20 leden 2 en 3​​ AvOW. De formuleringen van die​​ beide laatste​​ bepalingen (“wordt gelezen als” en “wordt vervangen door een nieuw lid”) duiden wel op volledige vervanging.​​ De door appellant voorgestane interpretatie betekent bovendien dat de gelden van het reservefonds onder werkelijk geen enkele omstandigheid een andere bestemming zouden kunnen krijgen.​​ Slechts de eerste volzin van artikel 32 lid 1 MR 1992​​ is dus​​ niet van toepassing, maar de rest van die bepaling wel.​​ Dat betekent dat de​​ VvE De Lange Balk​​ bevoegd was​​ om aan gelden in​​ haar​​ reservefonds een andere bestemming te geven, mits met in achtneming​​ van​​ de eis van een tweederde meerderheid als gesteld door artikel 38 lid​​ 5​​ MR 1992. Dat die gekwalificeerde meerderheden in de tweede vergaderingen zijn behaald wordt door appellant terecht niet aangevochten.​​ Ook dit onderdeel van​​ de grief​​ faalt.

 

De conclusie is dat de genomen besluiten niet aan nietigheid lijden, maar geldig zijn.

 

Grief II

Deze grief stelt de overweging van de kantonrechter aan de orde dat zij niet bevoegd is om nietigheden, doch slechts vernietigbaarheden te beoordelen. De VvE’s​​ wijzen erop dat de kantonrechter dit kennelijk ambtshalve heeft overwogen; een verweer van die strekking hebben zij niet gevoerd. Zij​​ refereren zich op dit punt aan uw oordeel, onder handhaving van hun conclusie dat de besluiten in elk geval niet aan nietigheden lijden.​​ De grief kan dus bij gebrek aan belang niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden.

 

Grief III

In grief​​ III wordt op zichzelf terecht aangevoerd dat de kantonrechter artikel 20 lid 1 AvOW niet in ogenschouw heeft genomen. Dat kan echter niet tot een andere uitkomst leiden, omdat de tweede volzin van artikel 32​​ lid 1​​ MR 1992​​ onverkort van toepassing blijft, zoals hiervoor is betoogd.

De verwijzing in randnummer 46 naar artikel 32 lid 1​​ van de Akte van Ondersplitsing van de VvE Parkeren onder de Balk (hierna:​​ AvOP)​​ is niet van belang. Het reservefonds van de VvE Parkeren onder de Balk wordt immers niet geraakt door de door appellant gewraakte besluiten, nu de uitgave zal worden gefinancierd door haar zuster-VvE.

 

Grief IV

Grief IV bouwt voort op​​ appellants​​ betoog dat in de ‘eerste’ vergaderingen bindende besluiten zouden zijn genomen. Hiervoor is al aangegeven dat dat betoog onjuist is.​​ 

 

Grief V

Ook grief V stoelt op een onjuiste interpretatie van de relevante regelgeving. Op zichzelf is juist dat de VvE Parkeren onder de Balk een uitgave zal doen, echter slechts​​ ter voorfinanciering​​ van de gewenste laadpaalinfrastructuur.​​ 

Onjuist is dat die uitgave valt onder de gemeenschappelijke schulden en kosten als bedoeld in de door appellant​​ in​​ randnummer 55 aangehaalde bepalingen, te weten artikel 3, onder a, b, c en/of j AvOP. Het betreft hier geen schulden of kosten in verband met onderhoud of gebruik of behoud (art. 3 sub a AvOP). Evenmin betreft het hier​​ noodzakelijke​​ herstelwerkzaamheden en vernieuwingen (art 3 sub b AvOP); bovendien komen deze kosten uiteindelijk​​ niet ten laste van alle eigenaars, maar​​ slechts​​ van hen die een laadpaal afnemen.​​ Het betreft evenmin schulden en kosten van de VvE als zodanig (art. 3 sub c AvOP). Tot slot betreft het​​ geen schulden en kosten​​ gemaakt​​ in het belang van de gezamenlijke eigenaars​​ (art. 3 sub j AvOP).​​ Het gaat hier dus niet om schulden en kosten “die voor rekening zijn van de gezamenlijke eigenaars” als bedoeld in artikel 2 lid 3 AvOP. De in die bepaling neergelegde unanimiteitseis is dan ook niet van toepassing.

Hetgeen wordt opgemerkt onder randnummer 59​​ achten de VvE’s onbegrijpelijk. Het gaat hier immers niet om de vraag of een bepaling in een van de aktes nietig is.

In plaats van op genoemde bepalingen zijn de besluiten van de VvE Parkeren onder de Balk gebaseerd op artikel 38 lid 8 AvOP. Het gaat hier om de aanleg van een nieuwe installatie. De besluiten zijn genomen met de in artikel 38 leden 5 en 6 bedoelde tweederde meerderheid in de tweede vergadering, waarvoor ingevolge lid 6 geen quorumeis gold. Anders dan appellant meent, stellen​​ de VvE’s zich op het standpunt dat slechts degenen die een laadpaal zullen aanschaffen van de aan te leggen infrastructuur voordeel zullen trekken, zodat anderen ingevolge artikel 38 lid 8, laatste volzin, AvOP daarin niet hoeven bij te dragen. Overigens volgt de regeling van artikel 38 AvOP, dat de unanimiteitseis uit het eerdergenoemde artikel 2 lid 3 AvOP niet van toepassing is. De regeling van​​ artikel​​ 38 AvOP zou anders immers betekenisloos zijn.​​ De kantonrechter heeft weliswaar overwogen dat ook de andere leden van de VvE’s daarvan voordeel trekken, maar de VvE’s hebben blijkens hun verweerschrift in eerste aanleg zich daarop niet beroepen. De VvE’s achten die overweging van de kantonrechter dan ook onjuist. De VvE Parkeren onder de Balk konden dan ook besluiten dat slechts de leden die een laadpaal zullen afnemen behoefde bij te dragen, omdat slechts zij daadwerkelijk van de nieuwe infrastructuur zullen profiteren.​​ 

 

Grief VI

Grief VI heeft geen zelfstandige betekenis, maar herhaalt slechts wat in eerdere grieven aan de orde is gekomen.

 

Voor zover er enige bewijslast op de VvE’s dan wel het bestuur rust biedt het bestuur bewijs aan van al zijn stellingen, speciaal door middel van getuigen.

De VvE’s concluderen​​ dat alle grieven falen. Zij verzoeken u de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig onder verbetering van gronden.​​ Kosten rechtens.

7